“Lokaal ondernemerschap in een fractie van een seconde“

Vanavond was ik nog even op bezoek bij een lokale, ambachtelijke ondernemer. Gewoon even bijpraten, maar hij was nog hartstikke druk omdat de lokale vereniging hem om producten had gevraagd uit zijn winkel voor het komende evenement. Vandaag vrijdag 15 november is het de Dag van de Ondernemer. Is dat nou nodig zo’n dag? Ja dat is nodig, het is goed om met elkaar stil te staan bij het lef en doorzettingsvermogen van ondernemers en wat zij betekenen voor onze lokale gemeenschap. 
Ondernemerschap biedt kansen op werk en inkomen en levert belastinginkomsten op waarmee onze publieke voorzieningen kunnen worden betaald. In Oss hebben we ruim 100 bedrijven per 1000 inwoners. Ruim 18.000 mensen in onze gemeente werken bij ‘kleinere’ lokale bedrijven en dan heb ik het nog niet eens over de meer dan gemiddelde hoeveelheid ZZP’ers. Daarmee zijn ze de onmisbare motor voor de Osse economie. Deze lokale ondernemers werken niet voor “aandeelhouderswaarde” of voor de korte termijn. Vaak willen deze ondernemers gewoon een boterham verdienen, eventuele medewerkers van een inkomen voorzien, een mooi product of mooie dienst verkopen en bijdragen aan de lokale gemeenschap. Ze werken niet alleen voor de winst, maar ook omdat ze van betekenis willen zijn voor onze samenleving. Want als er lokaal wat te doen is vragen we hem al snel om een bijdrage te leveren. De sponsoring van een vereniging, iets lekkers bij de koffie tijdens een evenement of een advertentie in een clubblad. Soms wordt een leegstaande ruimte gevraagd of worden materialen geleverd om iets te kunnen bouwen. Ik vind dat mooi. Mensen en ondernemers bloeien en de gemeenschap groeit. 
Daarnaast zal die MKB ondernemer wel degelijk ook moeten blijven vernieuwen en investeren in zijn bedrijf. Hij moet daarmee zijn concurrentiepositie verstevigen en blijven werken aan onderscheidend vermogen. Daar moet je lef en doorzettingsvermogen voor hebben. Want de veranderingen gaat snel en hebben steeds vaker te maken met digitalisering en automatisering. En soms betekent dat dan het einde van iets waarmee je lang je boterham hebt verdiend. We gebruiken steeds vaker het woord ‘innovatie’ als een bedrijf iets nieuws gaat doen en daarmee inspeelt op veranderingen in de markt, maar eigenlijk is dat van alle tijden. Wat niet van alle tijden is, is dat u en ik als consument steeds vaker meer en meer keuze krijgen. Bijvoorbeeld in prijs, kwaliteit, levertijd en varianten. Voor veel aankopen besluiten we in een -fractie van een seconde- waar we de aankoop doen. Soms op basis van prijs, soms op basis van kwaliteit maar soms ook gewoon omdat … tja geen idee eigenlijk. 
Op de Dag van de Ondernemer nodig ik u uit om met mij stil te staan bij wat die -fractie van een seconde- betekent voor de ondernemer bij u om de hoek, die deel is van de lokale gemeenschap. En als we dan met elkaar kunnen afspreken dat we voortaan bij ‘twijfel’ waar we zullen kopen gewoon vaker kiezen voor de ondernemer in de buurt dan krijgt die Dag van de Ondernemer pas echt betekenis.

“De Luciakerk en de begroting 2020; het houdt me bezig”

Over de Luciakerk is al veel gezegd in de afgelopen weken, over Prinsjesdag is al veel gezegd in de afgelopen dagen en over de begroting van de gemeente Oss gaan we nog veel zeggen in de komende maand. Een misgelopen subsidie en een bezuinigingsopdracht, het zijn twee onderwerpen die me bezighouden en waarbij je, nadat alle stof is neergedaald, alleen maar tot de conclusie kunt komen… mouwen op.

We krijgen niet vaak de kans om een grote brok subsidie aan te vragen, laat staan dat we een kans krijgen voor een subsidie van ruim 2 miljoen euro. Veel geld en als een dergelijke subsidiekans zich voordoet, moet iedereen zich tot het uiterste inspannen om het voor elkaar te krijgen, ongeacht welke pet iemand op heeft. Je niet verstoppen maar ergens willen uitkomen en iets willen toevoegen aan de leefbaarheid. Samen om tafel waarbij iedereen gerespecteerd wordt om zijn onmogelijkheden, maar uitgedaagd wordt op zijn verantwoordelijkheid; parochiebestuur, gemeentebestuur, provincie, bisdom en gemeenschap.

Er is nog geen subsidie aangevraagd, er liggen brokstukken her en der, maar volgens mij wil iedereen vanaf nu samen vooruit kijken. De waardige manifestatie van afgelopen zaterdag was in de kern een gepassioneerde oproep om gehoord te worden. En ik herken en onderschrijf daarin ook de oproep van de voorzitter van het Loterijfonds om te komen tot dialoog. Afgelopen zondag was ik in Neerlangel, waar pastoor Spiertz een mooie openluchtmis opdroeg ter gelegenheid van de 150-jarige herinwijding van de ‘kleine Sint-Jan’. Ook in zijn woorden herkende ik, naar aanleiding van de lezingen, een aanzet tot ‘opnieuw beginnen’ en verbinding. Ik denk zeker dat er kansen zijn en wil betrokkenen vooral nogmaals uitnodigen in gesprek te gaan. Er als gemeenschap samen sterker uitkomen, kansen benutten en dat betekent vooral… mouwen op.

Deze week was het Prinsjesdag en naast de complimenten over de baard van onze Koning hoor ik toch vooral dat het economisch goed gaat met ons land. Er is ruimte voor investeringen. Aan de andere kant hebben we van wethouder Den Brok een bezuinigingsopdracht van 2 miljoen euro gekregen omdat de overheid minder geld in het gemeentefonds stopt. Het gemeentefonds is het geld wat de gemeente krijgt van het Rijk en wat gerelateerd is aan de uitgaven van het Rijk. Dus als het Rijk minder uitgeeft stopt ze ook minder in het Gemeentefonds en moet een gemeente bezuinigen. Raar systeem vind ik dat. Landelijk roepen dat je meer wilt investeren en de gemeente meer taken geven maar minder geld kan ik niet uitleggen.

Maar goed, voor de behandeling van die begroting zullen dus keuzes gemaakt moeten worden, ook voor wat betreft de voorzieningen. Bij investeringen in onze voorzieningen hoor ik in het gemeentehuis vaak de vraag: “Voor hoeveel mensen is dat dan?” Als dat het enige criterium is hebben we straks één groot ontmoetingscentrum en gaan we allemaal naar één grote voetbalclub, lekker efficiënt maar volgens ons niet gewenst. Iedereen begrijpt dat de vorm van onze voorzieningen verandert en dat het betaalbaar moet blijven naar de toekomst. Maar elkaar ‘ontmoeten’, samen sporten en dus omzien naar elkaar, draagt wel bij aan de leefbaarheid. Het brengt inwoners perspectief die samen willen knokken voor hun dorp of hun wijk. Die bevlogenheid, die betrokkenheid is het maatschappelijk rendement, ook wel sociale veerkracht genoemd. Precies dat rendement wat niet in euro’s is uit te drukken willen wij vaker terugzien in de investeringsafwegingen van onze voorzieningen.

De Luciakerk is een parel onder de kerken. De gemeente Oss is met de stad en al haar dorpen een ketting van 23 parels. Parels moet je goed verzorgen en blijven poetsen om ze te laten glanzen, werk aan de winkel, samen mouwen op!

(Column ‘Arena Lokaal’ 21/09/2019)

‘En wat is het maatschappelijk rendement?’

Voor de behandeling van de begroting van onze gemeente Oss zullen keuzes gemaakt worden, ook voor wat betreft ontmoeten en de investeringen in gebouwen die dat ontmoeten kunnen faciliteren. Om dergelijke investeringen te verantwoorden wordt in het gemeentehuis vaak de vraag gesteld: Voor hoeveel mensen is dat dan? Als dat het enigste criterium is hebben we straks één groot ontmoetingscentrum en gaan we allemaal naar één grote voetbalclub, lekker efficiënt maar volgens het CDA niet gewenst. Iedereen begrijpt dat de vormen van ontmoeten veranderen en dat het betaalbaar moet blijven naar de toekomst. Maar voorzieningen om elkaar te ontmoeten, al dan niet in combinatie met sporten, dragen wel bij aan de leefbaarheid in dorpen en wijken. Het brengt inwoners perspectief die met elkaar willen knokken voor hun dorp of hun wijk. Die bevlogenheid, die betrokkenheid is het maatschappelijk rendement, ook wel sociale veerkracht genoemd. Precies dat rendement wat niet in euros is uit te drukken willen wij in de investeringsafwegingen vaker terugzien. 

In het BD van afgelopen zaterdag las ik dat de wethouder zich afvraagt  – wat het nut en de noodzaak is van deze investering? – het gaat dan om de afgesproken bijdrage voor laagdrempelig ontmoeten in de Hille. Gemeenschapsgeld uitgeven ter verbetering van de cohesie of ter preventie is een van de kerntaken van een gemeentebestuur. We hebben het over 9.000,- euro per jaar op een gemeentelijke begroting van ruim 300 miljoen euro.

De Hille beschikte tot einde vorig jaar over een Wijkpunt wat zich had ontwikkeld tot een vorm van laagdrempelig ontmoeten. Elkaar zomaar tegenkomen is niet meer heel vanzelfsprekend en daarom is deze vorm van ontmoeten van belang in onze verder individualiserende samenleving. Gewoon een vertrouwde plek in de wijk waar iedereen kosteloos kan binnenlopen en activiteiten kan organiseren. Voor inwoners in een wijk is een dergelijke voorziening, waar iedereen gelijkwaardig is, zeer welkom. En dat is ook precies de reden waarom we in het collegeakkoord hebben afgesproken om toe te groeien naar een grotere variatie in voorzieningen voor ontmoeten omdat we hadden geconstateerd dat gemeenschapsaccommodaties nog onvoldoende -nabij- zijn voor laagdrempelig ontmoeten. Daarom moeten we experimenten zoals in De Hille juist omarmen, ervan leren en gebruiken om het begrip maatschappelijk rendement te definiëren. 

 We hebben als raad gesproken over het wijkpunt in De Hille en vastgesteld dat het nog best lastig is om het maatschappelijk rendement van laagdrempelig ontmoeten te berekenen. En na een goede discussie heeft de gemeenteraad ingestemd met de voorgestelde bijdrage; werk aan de winkel dus. Ik vind het dan jammer om in de krant te lezen dat, het gemeentebestuur, toch de behoefte voelt te nog eens te benadrukken hoeveel moeite het heeft met dit democratisch genomen besluit. Laten we samen blijven knokken voor voorzieningen waarbij we omzien naar elkaar door in de raad het maatschappelijk rendement mee te nemen in de afwegingen. En laten we vooral voorkomen dat we bij inwoners die gebruik maken van dergelijke voorzieningen onszelf uitsluitend de vraag stellen of dat financieel dan wel voldoende rendeert.

‘Wat is dat toch met die iconische gebouwen’

Als ik in een stad ben probeer ik me vaak te oriënteren aan de hand van bijzondere gebouwen. Sinds enkele jaren is er in de wereld van de architectuur sprake van ‘iconische gebouwen’. Ik geloof erin dat een stad met een herkenbare en eigen identiteit een geliefde stad is. En ik geloof er ook in dat iconische gebouwen daarvoor belangrijk zijn. Ze zijn herkenbaar en daarmee aanjager van een gebied, wijk of stad. Maar hoe gaan wij als verstandige rentmeesters om met die iconische gebouwen? Kunnen we eigenlijk wel de juiste keuzes maken?

Neem de Luciakerk in Ravenstein, de kloosters in Megen, de Grote Kerk in Oss, het stadhuis in Ravenstein, de Molen, de Sebastiaankerk in Herpen, allemaal iconische gebouwen. We hebben het over religieus en cultureel erfgoed. Dat gaan we alleen maar nog meer koesteren. In vroeger tijden stonden dit soort gebouwen volop in de aandacht: ze functioneerden als bakens en vormden een beeldmerk voor de gehele stad. In de huidige geseculariseerde tijd zijn zulke bakens niet meer vanzelfsprekend. De keuzes die we nu voor deze gebouwen maken zijn onomkeerbaar.

Het mooie initiatief van de werkgroep tot behoud van de Luciakerk in Ravenstein is typerend voor deze tijd en hun initiatief draagt bij om, in harmonie, de juiste keuzes te kunnen maken. En daarvoor zul je verschillende scenario’s naast elkaar moeten kunnen leggen. Samen werken aan scenario’s waarin je de kosten, het draagvlak en de uitvoerbaarheid degelijk uitwerkt. Dan weet je tenminste waar het over gaat. Waar praten we anders over? Verkopen en dan denken dat het probleem is weg is, is niet de oplossing. Ieder moet zijn verantwoordelijkheid nemen maar altijd met respect voor elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden. Om dit soort iconische gebouwen anno 2019 te behouden moet je schouder aan schouder keihard knokken en je beseffen dat wat je besluit onomkeerbaar is.

In Oss is er ook discussie over een iconisch gebouw. Het Walkwartier om precies te zijn, alleen in tegenstelling tot de Luciakerk moet het Walkwartier nog gebouwd worden. De vraag is nu of dat Walkwartier wel iconisch genoeg is. Het gebouw staat er voor de komende tientallen jaren en eerlijk is eerlijk, dit soort gebouwen in het centrum van de stad lenen zich er wel voor om een iconische uitstraling te krijgen. Maar ook hier zul je verschillende scenario’s naast elkaar moeten leggen om pas dan samen de afweging te maken. En wederom met respect voor elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden. Bij gebrek aan die scenario’s vervalt de discussie nu tot enerzijds of het iconische genoeg is en anderzijds tot de opmerking dat de alternatieven allemaal te duur zijn.

Ik wil de historische Luciakerk zeker niet vergelijken met een nog te bouwen Walkwartier maar in beide discussies over de vervolgstappen mis ik de scenario’s. Pas als je de scenario’s samen hebt uitgewerkt kun je in gesprek met elkaar, argumenten uitwisselen, de financiële mogelijkheden verkennen, het met elkaar eens of oneens zijn en een besluit nemen. En precies dat traject heb je ook gewoon keihard nodig voor het draagvlak van welke besluit je dan ook neemt. 

(Column ‘Arena Lokaal’ 23/05/2019)

‘Woning bouwen in dorpen’

Voor starters is het in kleine dorpen lastig om een eigen huis te vinden. Het bestaande woningaanbod is vaak te duur en nieuwe betaalbare woningen worden nagenoeg niet gebouwd. Daardoor ontbreekt het jongeren in die dorpen vaak aan perspectief om er te kunnen blijven wonen, terwijl we het juist ook voortdurend over ‘leefbaarheid’ hebben. Inwoners en met name jongeren slaan de handen ineen en presenteren hun behoefte aan betaalbare nieuwe woningen. En iedereen is welkom te helpen die initiatieven verder te brengen.

Het is woensdagavond en ik rijd naar huis nadat ik, samen met Mari, een goede avond heb gehad met jongeren in Overlangel. We hebben gesproken over betaalbare woningen en het perspectief voor wat betreft woningbouw voor jongeren en ouderen. In mijn vorige colums had ik het over ‘leefbaarheid’, het belang van woningen bouwen lijkt logisch maar is niet altijd vanzelfsprekend. En als de plannen er wel degelijk zijn mag er soms best wat meer tempo gemaakt worden.

Natuurlijk kun je je afvragen of er wel voldoende behoefte is in een dorp. Je wilt zeker niet ‘bouwen voor leegstand’. Toch denk ik dat als je besluit niets te bouwen een dorp het pas echt lastig krijgt op langere termijn. En bovendien is het niet uit te leggen aan iemand die al jaren op een woning wacht, dat er volgens de ‘prognose’ geen behoefte is. Je kunt je ook afvragen of je die jongeren niet meer zou moeten ‘sturen’ naar dorpen, wijken of steden waar nog wel volop gebouwd wordt en dus voldoende aanbod is. Toch denk ik dat deze jongeren gewoon dolgraag in hun geboortedorp willen blijven wonen. Juist om in die gemeenschap bij te dragen aan de leefbaarheid, omdat ze er hun roots hebben of omdat ze het er gewoon goed naar hun zin hebben. Immers wanneer mensen besluiten dat er niet voldaan kan worden aan de woonwensen ziet men zich vaak genoodzaakt te verhuizen en komt men nog zelden terug. Weg is dan weg.

Als je als grote gemeente een forse opgave hebt op het bouwen van woningen lijkt het voor de hand te liggen om wat grotere stappen te zetten en te kiezen voor grote woningbouwprojecten. Dat kan een keuze zijn maar ook kleine dorpen hebben recht op nieuwbouw en perspectief. Er moet steeds sprake zijn van een evenwicht. In de afgelopen periode heb ik gesproken met ondernemers die juist ook kansen zien in woningbouwplannen van kleinere omvang in kleine dorpen. Ik zou die ondernemers willen uitnodigen om daadwerkelijk in gesprek te gaan met de ‘kartrekkers’ in de dorpen om samen te komen tot een fraai plan.

Ook in Macharen hebben we onlangs gesproken met jonge mensen die maar wat graag samen willen werken aan een perspectief voor betaalbare woningen. De groep Van Gool heeft een fraai plan bedacht en is door de inwoners verkozen tot het winnende plan. Het plan is besproken met de wethouder en moet nu ook daadwerkelijk verder gebracht worden met een concrete vervolgstap. Die vervolgstap staat inmiddels gepland, mooi. En natuurlijk zal volgend jaar het dorp niet uitgebreid worden met tientallen woningen maar je werkt wel samen aan een perspectief, het creeeren van kansen en het bieden van maatwerk. Precies zoals beschreven in een coalitieakkoord.

De club ‘Bouwen In Overlangel’, kort genoemd BIO bereidt een volgende stap voor. En volgens mij moeten we dat vooral samen willen doen, samen met de markt, met de gemeente maar vooral met deze groep enthousiaste jonge mensen. Betaalbare woningen voor jongeren en ouderen die daardoor bijdragen aan het verbeteren van de ‘leefbaarheid’, juist ook in kleine dorpen. Ik vind het een mooi perspectief, ik zet me er graag voor in!

(Column ‘Arena Lokaal’ 28/03/2019)

‘Wat vind ik ervan’

Toen ik, zondag een week geleden, bij ons moeder na de koffie weer naar huis ging vertelde ik haar dat ik ‘s avonds nog een stukje ging schrijven voor ArenaLokaal. “Waarom doe je dat dan en waar moet dat dan over gaan”, vroeg ze me. “Nou gewoon, ik schrijf op wat ik van iets vind”. En dat is dus wat ik ga proberen te doen. In het komende jaar ga ik een aantal keer de tijd nemen om hier te schrijven ‘wat ik ervan vind’.

In De Molen was ik onlangs in gesprek met inwoners van Ravenstein. Als raadslid doe ik vaak van dergelijke avonden en ik hoor dan wat mensen bezighoudt, waar ze wakker van liggen of waar ze fier op zijn. In Ravenstein en omgeving zijn verschillende zaken aan de orde waar het komende jaar stappen gezet zullen moeten worden. Een nieuw gemeenschapshuis, toerisme, religieus erfgoed en het bouwen van woningen. En dan nieuwbouw voor jongeren en voor ouderen wat mij betreft.

Als het om wonen gaat maak ik van zeer nabij mee dat zelfstandig wonen op enig moment een stevige uitdaging kan zijn, terwijl we in Nederland graag ouderen zo lang mogelijk zelfstandig willen laten wonen. Ouder worden in de eigen omgeving vinden we namelijk een goed plan en eenzaamheid moet worden aangepakt. De vraag is volgens mij of iedereen wel in zijn eigen huis wil blijven wonen en wat is dan een ideale leefomgeving? Als er sprake is van woningbouw moeten we, meer dan voorheen, maatwerk bieden. En ja, ook maatwerk in de combinatie wonen en zorg.

We zullen er, met de woningmarkt, in de komende jaren flink op moeten inspelen. En cruciaal is de ‘leefbaarheid’. Hoe gaan we eenzaamheid tegen en zorgen we voor een veilige, toegankelijke woonplek, die uitnodigt tot sociale contacten? Dat zullen we samen moeten gaan organiseren, met de markt, met de gemeente maar vooral met de bewoners. Komt er in nieuwe woningbouwplannen aandacht voor een nieuw soort hofjeswoningen? Hebben we aandacht voor het combineren van wonen en mantelzorg? Krijgen starters een kans? Hoe is de openbare ruimte ingericht en is deze gericht op sociaal contact? Zijn woningen betaalbaar voor jonge gezinnen? Is er innovatie op bouw- en financieringsvormen?

Inwoners hebben steeds meer oog voor hun eigen leefomgeving en maken keuzes als het gaat om waar hun woning staat of komt te staan. En niet zelden betekent dat, dat gekozen wordt om te verhuizen naar een andere stad of dorp als niet meer voldaan kan worden aan die woonwensen.

Deze week las ik dat er beweging zit in de plannen voor woningbouw aan De Kolk. Vooropgesteld dat het niet genoeg is voor Ravenstein, is er nu een begin. Er moet nog wat ‘water door de Maas’ maar laat ik erop vertrouwen dat er flink wat woonkansen komen voor jongeren en voor ouderen. Want dat is nodig voor de leefbaarheid. Ja, ik hoor het mezelf zeggen en ik hoor het u denken: ‘leefbaarheid’, wat een containerbegrip, daar kun je dus alle kanten mee op. En toch snappen we met elkaar ook heel goed dat toerisme, een gemeenschapshuis, het bewaren van het religieus erfgoed maar zeker woningbouw zullen bijdragen aan die leefbaarheid. Dan blijf je, als stadje, aantrekkelijk om te wonen… voor jongeren en voor ouderen.

De eerste stappen lijken gezet maar het mag een marathon worden volgens mij. Persoonlijk houd ik eigenlijk niet zo van hardlopen maar soms is het goed en nodig, zeker na de feestdagen. Ik wens u een goed, maar bovenal gezond 2019!

(Column ‘Arena Lokaal’ 17/01/2019)

Religieus Erfgoed in 2019; knokken voor resultaat!

In Nederland is de toekomst van religieus erfgoed inmiddels een serieus thema. En we hebben in 2018 echt stappen gezet. Verschillende partijen bewegen naar elkaar toe. Ik zag politieke partijen het onderwerp omarmen en de minister die een aftrap doet. Ik zie het provinciaal bestuur en het Bisdom met elkaar in gesprek. Op lokaal niveau pakken een paar politieke partijen een rol en de wethouder gaat aan tafel met het parochiebestuur. Ik wil er op vertrouwen dat dat ook echt iets concreets op gaat leveren in 2019. Dat zou een grote stap voorwaarts betekenen voor al dat geweldig mooi religieus erfgoed wat we rijk zijn. 

Onlangs was ik twee dagen in Rome voor een conferentie over religieus erfgoed met als thema “Doesn’t God dwell here anymore”. Er zijn ongeveer 25 landen vertegenwoordigd en de conferentiezaal, in één van de pauselijke universiteiten, vult zich iedere dag met circa 300 betrokkenen. Indrukwekkend om mee te maken, zondermeer leerzaam en vooral mooi om te horen hoe het thema in de verschillende landen wordt ervaren als een groot of juist een klein probleem.

Er zijn landen waar de kerken zijn verdwenen, of moesten verdwijnen, als gevolg van een oorlog en die nu weer in opbouw zijn. Er zijn landen waar ze nog steeds kerken tekort komen. Er zijn landen die de lege kerken juist gaan inzetten voor de diaconie. Er zijn landen waar de monumentencommissie geen rol heeft of juist landen waar de overheid een grote rol heeft en eigenaar is van de gebouwen.

In Nederland hebben wij ongeveer dezelfde situatie als in België en Duitsland. Ook onze aanpak lijkt op elkaar. Partijen gaan met elkaar in gesprek, erkennen elkaars rol en accepteren elkaars verantwoordelijkheid. Soms maak ik me zorgen over de betrokkenheid van parochianen of over de onomkeerbaarheid van sommige keuzes. Maar vooral ben ik tevreden over de beweging die is gemaakt in 2018. Het onderwerp staat meer dan tevoren op de agenda en we realiseren ons het belang voor toekomstige generaties.

Mijn wens voor 2019 is dat we, naast met elkaar in gesprek zijn, ook daadwerkelijk iets gaan doen en realiseren. Ik ben resultaatgericht en wil dat inspanningen ook tot iets leiden. Iets opleveren met een concreet resultaat, wat we kunnen uitleggen aan parochianen en niet-parochianen. Maar bovenal wat is besproken met de lokale gemeenschap en wat van toegevoegde waarde is. Ik wil ervoor werken, ik wil ervoor knokken. Ik wens u en uw dierbaren een gezegend Kerstfeest en alle goeds voor 2019!